a
a
a

KIJKERSVERHAAL - Het verhaal van P. van Geldere over de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indie

De programma's bij ONS roepen vaak herinneringen op. Soms leuke, nostalgische herinneringen. Maar soms ook minder leuke, intense herinneringen. In de rubriek Kijkersverhaal laten wij onze kijkers aan het woord met hun persoonlijke verhaal. Deze keer leest u het verhaal van P. van Geldere en zijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië. In augustus zijn meerdere programma's rond het thema Nederlands-Indië te zien bij ONS. Bijvoorbeeld morgen, woensdag 4 augustus om 21 uur, de documentaire Buitenkampers

Wilt u ook uw persoonlijke herinneringen vertellen? Stuur een mail naar [email protected]!

De Tweede Wereldoorlog in Azië, met medeweten van Keizer Hirohito en Generaal Hideki Tojo. Mijn verhaal over de Tweede Wereldoorlog. Door Paul van Geldere. 


Geboren ben ik in Malang, Oost–Java, op 10-maart 1934. Als kind van een KNIL-militair. Gezinssamenstelling: vader, moeder en één broer. In mijn eerste levensjaar werd mijn vader overgeplaatst naar Tjimahi. Hier ging ik naar dagelijks het lager onderwijs, van 7 uur 's ochtends tot 13 uur. Ik was toen 6 jaar. 's Middags moest er eigelijk verplicht gerust worden, maar dat deed ik niet. Ons huis stond net voor een kampong en met die jongens speelden wij onder andere Katrik of verstoppertje in het maisveld.

 

Op 8 maart 1942 brak de Tweede Wereldoorlog uit. Ik werd op 10 maart van dat jaar 8 jaar. De lagere school duurde voor mij anderhalf jaar.Onderwijs mocht niet meer voor ons. Het spelen, alles was voorbij. Er werd een kamp gemaakt rondom onze straat en een paar andere straten met een omheining gemaakt van prikkeldraad en van bilik (gevlochten bamboe). Tussen deze omheining was een ruimte van ongeveer 3 meter. Hier liepen Haiho’s. Dat waren Indonesiërs in opleiding tot militair. Er was aan de voor- en achterzijde een poort die bewaakt werd door Japanse militairen. Dit was het 'Baros kamp. Het eerste wat wij hier leerden was buigen, buigen en nog eens buigen. Mijn vader was al op transport gesteld naar Singapore met uiteindelijke bestemming de Birma-spoorweg. Alle aanwezige radio’s moesten worden ingeleverd bij een bedrijf op de Alun Alun (het open veld). Wij, mijn moeder, broer en ik maar ook andere mensen, werden bij elkaar gehaald en moesten worden verplaatst. Eén koffer mochten wij meenemen. Die sleepte mijn moeder mee. Wij werden per trein vervoerd naar Bandung. De trein was snikheet. Geen drinken, niets was er. Maar
wel de zon.

 

In Bandung heette het kamp 'Tjihapit'. We sliepen op een tiker (matje van dun gevlochten bamboe).
In dit kamp werd mijn moeder blokhoofd en daarmee verantwoordelijk gesteld voor de in dit blok wonende mensen. Er werd gesmokkeld in het blok. Op een dag zijn er mensen geschaakt en moest het blok aantreden.
Mijn moeder kreeg toen met een houten lat een paar tikken op haar hoofd. Dit vergeef ik de
Japanners nooit. Ik was net 9 jaar geworden.


Na een paar maanden moesten wij weer weg. Mijn broer was inmiddels 10 jaar en moest blijven.
Mijn moeder en ik gingen naar Semarang met de trein. Wij stonden in de rij voor de gaarkeuken toen ik
een mevrouw zag neervallen. Mijn moeder zei tegen mij "Laat maar, zij is al overleden". Inmiddels werd ik zelf ook 10 jaar en moest ik naar het mannenkamp Ambarawa. Kleding had ik nauwelijks. Enkel nog een
hemd en een tjawat (Japanse lendedoek) als onderbroek. Het eten was nagenoeg altijd kandji (stijfsel) en soms ikan kring (gedroogde, gezouten vis). Als wij een kikker konden vangen, werd deze tussen een paar stenen doodgemaakt en dan op een vuurtje of een anglo geroosterd en opgegeten. Een anglo is een van steen gemaakt kooktoestel. Ik moest op het land werken met de patjol, dat is een schep haaks op de steel. Ook moesten wij op appèl komen en aantreden. Ik was nummer 19 van de eerste rij. Ik kan tegenwoordig nog altijd tot 19 tellen in het Japans. 


Inmiddels werd het 15 augustus 1945 en ineens vlogen er een paar B45's (vliegende forten genoemd)
boven ons. Deze strooiden pamfletten uit waarop stond te lezen dat de Tweede Wereldoorlog over was.
Dit merkten wij meteen aan de Japanners die direct vriendelijker werden. Nu kon ik mijn moeder opzoeken en vervolgens samen naar Bandung reizen. Mijn broer lag inmiddels in het ziekenhuis met buikziekte. Wij bleven nog even in Bandung waar mijn moeder met een aantal andere mensen naar de pasar (markt) ging. Zij kochten daar ook wat vlees. De volgende dag werd er gezegd dat er geen vlees meer verkocht mocht worden omdat het om mensenvlees bleek te gaan. Dit werd geconstateerd door een Amerikaanse arts die aanwezig was.


Dit was tegelijk het begin van de Bersiap-periode. Eind 1945. Alle mensen met een lichte huidskleur moesten uitkijken om niet gekidnapt te worden. Anders werd je gewoon afgeslacht en, zoals wij merkten, als vlees verkocht op de pasar. Wij werden nu beschermd door de Japanse en Britse militairen. Begin 1946 konden wij naar Batavia om per schip naar Holland te gaan.


Op 17 juni 1946 kwamen wij in Holland aan met de ss.Tegelberg. Het land was koud en de Hollanders
waren nog kouder. Mijn vader was al in Utrecht bij een zuster van mijn moeder terwijl mijn moeder, toen we nog in Indië waren, een brief had gekregen van het Rode Kruis dat mijn vader was overleden bij de Birma-spoorweg. Bij mijn tante aangekomen, vroeg zij meteen om Nica-geld dat wij gekregen zouden hebben in Port
Said, tegelijk met wat warme kleding. Zo’n kerkelijke familie. Daar had gelijk genoeg van.


Ondertussen kon ik weer naar school. Ik was inmiddels 12 jaar en moest naar klas 3. Hier werd ik uitgescholden voor Chinees en pinda, maar dat nam ik niet en begon er gelijk op te timmeren. Nou dat mocht ik niet en ik moest bij de onderwijzer komen. Ik ging direct in de houding staan, zoals ik geleerd had bij de Japanners. De onderwijzer vertelde mij dat ik hier niet mocht slaan. In juli begon de vakantie en in september ging ik naar klas 4. Deze heb ik helemaal gedaan. Toen de 5e en de 6e. Een theoretische basis had ik niet. Ik was door de oorlog veel te speels geworden en zag studeren (nog) niet zitten. Ik ging naar de Ambachtsschool. En op mijn 17e jaar begon ik bij de Marine. Hier werd eigenlijk mijn leven gevormd. Bij de Marine zaten heel veel Indische jongens die net als ik in kampen hadden gezeten. Wij begrepen elkaar.

Dit is in het kort hetgeen ik heb doorgemaakt tijdens en net na de Tweede Wereldoorlog. Ik hoop dat er nooit meer een wereldoorlog zal komen.

Deel deze pagina: LinkedIn Google+
Copyright © 2021 - ONS | HPU internet services | Powered by: CWM (Channel Web Manager)